Het is druk hierboven. Er zijn verschillende mensen die
zich in het donker om mij heen verzamelen. Twee vrouwen, drie mannen, een
jongeman en twee jonge dames. Ik geniet het meest van de momenten met het
jongste meisje. Ze is stil en staart veel naar mij. Iedere dag heeft zij
hetzelfde ritueel. Ze pakt haar schrift en pen, schuift haar stoel dicht tegen
de tafel aan en steekt mij aan met lucifers. Het meisje is gefascineerd door
mijn vlam. Ik kan bijna haar hersens horen kraken. Er gaat veel om in dat
koppie. Dat weet ik zeker. Ze vertrouwt het allemaal toe aan het papier.
Soms schrikt ze op als ze buiten harde geluiden hoort. De
laatste tijd gebeurt dat steeds vaker. We horen vlak boven ons zware
vliegtuigen voorbij komen. Sirenes beginnen te loeien door de straten van de
stad. Meestal gevolgd door een aantal knallen. De mensen worden dan onrustig en
beginnen heen en weer te schuiven over
de houten vloer. Er zijn momenten dat het hele huis lijkt te trillen. Ik moet
dan erg mijn best doen om te blijven schijnen.
Meestal zijn de mensen stil hier in huis. Ze slapen veel,
lezen en praten met gedempte stem met elkaar. Altijd is er angst. Waarvoor weet
ik niet precies. Maar er is een peertje, precies boven mij. Die doen de mensen
nooit aan. Ze verzamelen zich rond mijn licht. Ik doe hard mijn best om alles
te geven wat ik in mij heb. Ik hoop dat deze verdrietige mensen zich een beetje
aan mij kunnen verwarmen. Ik weet dat het meisje dat doet. Dat zie ik in haar
dromerige blik.
Vandaag is het anders. Er is iets aan de hand. Ik hoor
vreemde stemmen. Ze spreken in een andere taal. Luide passen raken de vloer.
Het huis piept en kraakt. Het lijkt haast te krijsen. De stappen komen steeds
dichterbij. Het meisje en de andere mensen zijn bang. Ze verstoppen zich voor
de voetstappen. De boekenkast gaat van haar plaats. “Mitkommen!” hoor ik nog
net, voordat mijn licht gedoofd wordt…
Schrijfopdracht oktober 2014, Markant
